De zeven beeldvormen die je ziet, zijn daadwerkelijk door mensen achtergelaten sporen. Je ontdekt ze gaandeweg. 

In de hal, kort na de entree, vind je sleutels, die toegang symboliseren. Het is alsof iemand ze zojuist heeft verloren. Dit is het eerste spoor: toegang tot een ruimte, maar ook tot het leven en tot wat daarna wordt overgedragen.

Laag bij de preekstoel is een spoor dat geloof uitbeeldt. De preekstoel geeft het spoor vanzelf zijn betekenis: hier zijn generaties lang woorden, overtuigingen en geloof doorgegeven. Het voorwerp hoeft daardoor nauwelijks te worden uitgelegd.

Na overdracht komt het loslaten. Iemand heeft iets achtergelaten en is verdergegaan. 

Het spoor lijkt hier bijna toevallig te zijn blijven liggen op iets dat zelf bij de kerk hoort. Het verwijst naar leren, ontstaan en het begin van wat later wordt doorgegeven.

De trouwring is hier geen illustratie van liefde, maar het materiële spoor van een leven samen dat in de herinnering voortbestaat. 

Hier wordt de tijd veel groter dan één mensenleven. De ammoniet was er lang vóór ons. Het hunebed verderop verbindt dat vervolgens met de vroegste menselijke sporen. Daarmee gaat overdracht terug tot vóór onze eigen herinnering. 

Juist het meest onbeduidende en weggegooide voorwerp wordt zo het laatste menselijke spoor: zelfs wat iemand niet wilde bewaren, blijft achter.